Een pluriforme gezondheidszorg; gewijzigde verantwoordelijkheid van de overheid

Uit: 'Op weg naar een pluriforme gezondheidszorg'; werkgroep Volksgezondheid van de Stichting Wetenschappelijk Bureau van D66; oktober 1995. De volledige nota bestelt u via E-mail lsd66@d66.nl

De verhouding tussen de overheid en de niet-conventionele geneeskunde verschilt sterk van die tussen overheid en conventionele geneeskunde. Deze laatste heeft zich vooral ontwikkeld als een interactie tussen zorggebruikers en zorgverleners. De overheid heeft zich de laatste decennia immers maar weinig bemoeid met de niet-conventionele keuzen van de zorgvrager.

Maar ook van een relatie tussen niet-conventionele zorgverleners en overheid is nauwelijks sprake. Dit blijkt bijvoorbeeld uit:

Deze situatie is historisch zo gegroeid en als zodanig verklaarbaar. Het is dan ook niet de bedoeling de verwijtende vinger te wijzen in de richting van welke groepering in onze samenleving dan ook. Het gaat er enkel om te constateren, dat, waar het ideaal een gelijke behandeling voorschrijft, er in de praktijk dikwijls sprake is van een ongelijke behandeling. De nu toegepaste tweedeling in erkend en niet-erkend doet geen recht aan de diversiteit in kwaliteit die zowel in de conventionele- als in de niet-conventionele geneeskunde bestaat. Bovendien heeft deze een verstarrende werking en belemmert zo de ontwikkeling van de niet-conventionele methoden naar een volwaardige rol in de gezondheidszorg. Een stapsgewijze erkenning van de potentiële waarde van niet-conventionele benaderingen impliceert dan ook het scheppen van voorwaarden waaronder deze hun waarde kunnen bewijzen. Hiermee ontstaat een ‘erkenningsladder’ waarop zowel de conventionele als de niet-conventionele methoden hun eigen maatschappelijke plaats hebben die overeenkomt met hun effectiviteit, kwaliteit, doelmatigheid en veiligheid.

Zowel voor de conventionele- als voor de niet-conventionele geneeskunde geldt dat de verhoudingen niet overeenstemmen met het model dat wij hiervoor geschetst hebben, maar zij doen dat in verschillend opzicht. Bij de conventionele geneeskunde is de relatie overheid-zorgverlener te sterk. Bij de niet-conventionele geneeskunde is de relatie overheid-zorggebruiker en overheid-zorgverlener eerder te zwak waardoor een te vrijgevochten relatie tussen zorgverlener en zorggebruiker is ontstaan.

De overheid dient twee veranderingen tegelijk door te voeren. Enerzijds zal zij haar greep op de conventionele beroepsbeoefenaars als het ware moeten verslappen en anderzijds dient er meer toezicht te komen op de relatie zorgverlener-zorggebruiker in de niet-conventionele geneeskunde. Zolang het evenwicht in beide sectoren niet is ingesteld, zal de overheid nog de beslissingen nemen bijvoorbeeld over de kwaliteit van de zorgverlening, die eigenlijk moeten worden genomen op het niveau van zorgverlener en zorggebruiker. Zolang de overheid zelf deze beslissingen neemt, zal zij daarbij de verschillende benaderingen van de geneeskunde gelijk dienen te behandelen. En zal zij, waar het bijvoorbeeld gaat over kwaliteit, voor alle benaderingen kwaliteitseisen moeten stellen. In de uiteindelijke te bereiken situatie zou de verantwoordelijkheid van de overheid actief toezichthoudend van aard zijn.

Toegespitst op pluriformiteit in gebruik en beoefening van geneeskunde betekent dit, dat de overheid:

  1. in de gaten moet houden, en er desnoods zelf voor moet zorgen, dat het zorgverlenings-proces en de relatie zorgverlener-zorggebruiker voldoet aan eisen van procedurele en positionele aard.
    Het is niet aan de overheid te bepalen welke dienstverlening zal worden geleverd; het is wel aan de overheid erop toe te zien, dat bij die keuze zorgverlener en zorggebruiker in een gelijkwaardige positie verkeren.
    Het is ook niet aan de overheid te bepalen aan welke inhoudelijke kwaliteitseisen de te verlenen zorg moet voldoen, ook dit moet gebeuren in samenspel tussen zorgverlener en zorggebruiker.
    Het is dus aan de overheid erop toe te zien, dat deze vereisten worden geformuleerd; zo zal de overheid moeten bevorderen dat de effectiviteit, de kwaliteit, de veiligheid en de doelmatigheid van de verschillende benaderingen van geneeskunde inzichtelijk worden gemaakt;
  2. ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de bevolking minimum-eisen moet stellen aan de aard en de kwaliteit van de zorgverlening, de zorgverleners, de middelen en methoden.
    Zorgverleners die aan deze eisen niet voldoen dient de overheid de toegang tot de gezondheidszorg te ontzeggen; zo zal de overheid bepaalde vormen van geneeskunde moeten kunnen verbieden in het belang van de veiligheid en gezondheid van de bevolking.

homeopathie

30%

manuele ther.

15%

acupunctuur

10%

natuurgeneesk.

10%

paranorm. gen.

10%

overige

25%

Aangezien er ongeveer 350 niet-conventionele geneeskundige benaderingen bestaan, kunnen wij niet verwachten, dat de overheid beleid ontwikkelt omtrent al deze benaderingen. Minimum-regels die gelden voor alle geneeskundige benaderingen zijn echter wel te geven. Een klein aantal methoden - homeopathie, manuele geneeskunde, acupunctuur, paranormale geneeskunde, natuurgeneeskunde en anthroposofie - hebben voldoende maatschappelijke betekenis om er specifieke minimum-eisen aan te stellen. (In het schema hiernaast kan slechts een schatting gegeven worden van de kwantitatieve betekenis van de verschillende methoden.)

Iedere beroepsgroep dient te streven naar een veilige en kwaliteitsbewuste gezondheidszorg, ongeacht de toegepaste benadering. De overheid hoeft geen genoegen te nemen met mindere kwaliteit, maar dient aan de andere kant wel de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van noodzakelijke kwaliteit. Dat de infrastructuur voor kwaliteit bij de conventionele geneeskunde een andere is dan bij de niet-conventionele geneeskunde zal blijken uit de bijlage ‘infrastructuur’.

Het is vooral de verantwoordelijkheid van de beroepsgroepen om deze zaken aan te pakken. Zij moeten hiervoor de voorwaardenscheppende en organisatorische instrumenten ontwikkelen (zie Wetsontwerp Kwaliteitswet Zorginstellingen). De overheid kan dan controleren of deze instrumenten adequaat zijn. Hierna gaan wij dieper in op de procedurele en positionele eisen die de overheid moet stellen: op de minimum-eisen en tenslotte op hiermee verwante zaken zoals communicatie en transparantie.

4.1 Uitwerking procedurele/positionele eisen

In het stelsel dat de werkgroep voor ogen staat, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor effectieve, kwalitatieve en doelmatige beroepsuitoefening bij de beroepsbeoefenaren zelf.

Dit betekent dat zij:

Deze algemene uitgangspunten behoeven uitwerking in:

Voorts zal moeten worden bevorderd/getoetst dat de individuele beroepsbeoefenaar zich aan de gestelde uitwerking houdt.

Waar effectiviteit, kwaliteit en doelmatigheid van de beroepsuitoefening primair verantwoordelijkheden zijn van de beroepsbeoefenaar zelf, ligt voor de hand bij hem ook de belangrijkste verantwoordelijkheid te leggen waar het gaat om de uitwerking en de toetsing.

Op hun beurt zullen beroepsbeoefenaren deze verantwoordelijkheid alleen kunnen waarmaken indien zij onderling samenwerken. Beroepsbeoefenaren die gelijksoortige zorg volgens een gelijksoortige methode verlenen zouden samen één opleiding en één beroepsorganisatie moeten instellen. De kwaliteitsbewaking moet éénduidig zijn voor alle beroepsgroepen in de gezondheidszorg. Methoden met een gering maatschappelijk belang of met een disfunctionerende beroepsgroep kunnen niet aan de hier geschetste eisen voldoen. De zorggebruiker heeft immers behoefte aan openheid en duidelijkheid m.b.t. de kwalificaties van de methode en de beroepsbeoefenaren.

4.1.1 Beroepsorganisatie

De beroepsorganisatie is een belangrijk instrument in het bewaken van vrijwel alle kwaliteitsaspecten. Door eisen voor (her)registratie, nascholingseisen, gedragsregels en beroepscodes, toetsing, tuchtrecht en bereikbaarheidsregelingen zorgt de beroepsgroep voor een adequate beroepsuitoefening. Door een gelijkwaardig overleg met patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars dient deze beroepsuitoefening op de praktijk afgestemd te blijven. In principe kan de overheid bij een goed functionerende beroepsorganisatie afzijdig blijven totdat blijkt dat deze terugkoppelingsmechanismen niet werken. Wanneer de beroepsorganisaties niet in staat blijken tot een kwaliteitsbeleid moet de overheid ingrijpen.

De overheid kan een betere gezondheidszorg, zonder teveel inmenging, bereiken door een goede interactie met de beroepsverenigingen. Iedere beroepsgroep dient zich te organiseren en een kwaliteitsbeleid uit te zetten. Dit kwaliteitsbeleid is gebaseerd op een beroepsprofiel dat op zijn minst omvat:

Dit beroepsprofiel dient te worden bijgesteld naarmate de methode zich ontwikkelt en (neven-)effecten zichtbaar worden en het dient telkens als basis voor de beroepsopleiding en het kwaliteitsbeleid. De wet BIG verbiedt niemand het uitoefenen van een beroep in de individuele gezondheidszorg. Beroepsbeoefenaren die niet voldoen aan het profiel zouden echter geen toegang mogen krijgen tot de beroepsvereniging. De overheid en/of een door haar aangewezen instantie heeft tevens een inbreng in dit beroepsprofiel. Door een onafhankelijke instelling worden dan bijwerkingen vastgelegd. De beroepsvereniging tenslotte stelt een beleid op ter evaluatie van veiligheid, effectiviteit, kwaliteit en doelmatigheid.

Langs deze weg kan vanaf de opkomst van een nieuwe methode een kwaliteitscyclus in gang gezet worden. In het begin van dit proces zal de overheid een nadrukkelijke inbreng hebben. Bij voldoende kwaliteit kan de overheid de beroepsvereniging meer loslaten en in toenemende mate vertrouwen op de interactie tussen beroepsvereniging, verzekeraars en patiëntenorganisaties. De beroepsvereniging verkrijgt dan van de overheid een zekere status waardoor de leden voor de zorggebruiker herkenbaar zijn; in laatste instantie kan een wettelijke registratie volgen. De herkenbaarheid en de wettelijke registratie zijn voorbeelden van de sporten op de ‘erkenningsladder’ die de werkgroep voor ogen staat in (plaats van de huidige alles-of-niets drempel, die nu geldt). Een geneeskundige methode die al langer bestaat en waarvoor de verschillen in kwaliteit (tussen beroepsbeoefenaren onderling) te groot zijn geworden dient een inhaalslag te maken. Een inhaalslag die het tevens noodzakelijk maakt beroepsbeoefenaren die, bijvoorbeeld door gebrekkige vooropleiding, geen kans maken ooit aan de criteria te voldoen, te laten afvallen.

De titels van de verschillende beroepen in de gezondheidszorg worden in de wet BIG beschermd krachtens artikel 3 (Beroepstitel-bescherming) of artikel 34 (opleidingstitel-bescherming). Beroepsbeoefenaren die een artikel 3-titel voeren en een bijzondere vaardigheid verworven hebben binnen het beroep kunnen bovendien een wettelijk erkende specialisten-titel verwerven (art. 14 van de wet BIG). Eén van de voorwaarden in de wet BIG voor de instelling van een specialisme is de instemming van de reeds bestaande erkende en dus nog grotendeels conventionele beroepsgroep. Artsen die hun niet-conventionele vaardigheid vertaald willen zien in een specialisten-titel (ex art.14) zijn hiervoor mede afhankelijk van hun conventionele collega’s. De conventionele beroepsgroep zou dan een registratie tegen kunnen houden terwijl deze maatschappelijk (vanwege de herkenbaarheid voor de hulpvrager) wel gewenst is en aan de overige voorwaarden voor een nieuw specialisme voldaan wordt. In dit geval zou een aanpassing van dit wetsartikel overwogen moeten worden.

Omwille van de transparantie en kwaliteitsbeheersing is het gewenst dat ieder beroep, dat zich begeeft op het terrein van één van de andere beroepen die geregeld zijn krachtens artikel 3, ook onder dit artikel valt. Volgens dit uitgangspunt moet een aantal niet-conventionele methoden (zoals homeopathie en acupunctuur) - wanneer hiermee zelfstandig de geneeskunde, tandheelkunde of verloskunde beoefend wordt - krachtens art.3 geregeld worden. Indien het niet mogelijk blijkt de desbetreffende beroepsbeoefenaren onder te brengen in één van de reeds krachtens art.3 geregelde beroepen, zou hier een nieuwe beroepstitel en daarmee een wetsaanpassing noodzakelijk zijn. De noodzaak hiertoe moet dan evident zijn.

Het verantwoord regelen van de wettelijke bescherming en beheersing van de niet-conventionele therapeuten levert de grootste problemen. De regeling krachtens art.34 (met AMvB’s) is eenvoudiger te realiseren dan krachtens art.3, maar kan tot onduidelijkheid en ongelijkheid leiden wanneer hetzelfde beroep zowel krachtens art.3 als krachtens art.34 geregeld wordt. Het regelen van het beroep van therapeuten die met niet-conventionele methoden zelfstandig geneeskunde uitoefenen via art.34 zou aanleiding geven tot een verschillende juridische benaderingen van twee beroepsgroepen die hetzelfde beroep uitoefenen. Het onderbrengen van therapeuten onder de beroepsgroep artsen (of eventueel een nieuw art.3-beroep voor niet-conventionele geneeskunde) zou een forse inhaalslag in de opleiding vereisen. De wet BIG biedt niet de mogelijkheid om de zelfstandigheid (tenzij m.b.t. voorbehouden handelingen) in te perken en zodoende een veilige beroepsuitoefening te creëren voor beroepsbeoefenaren die niet in staat zijn de gezondheidstoestand van de zorgvrager te beoordelen. Een oplossing voor deze impasse is nog niet in zicht.

De werkgroep vraagt zich af of de regimes ex artikel 3 en ex artikel 34 op den duur niet ineen moeten worden geschoven tot één regime, waarbinnen beroepsbeoefenaren binnen het verband van beroepsgroepen kunnen komen tot zorg voor veiligheid, effectiviteit, kwaliteit en doelmatigheid van hun professionele handelen. Dit kan ook een oplossing zijn voor de verschillen in kwaliteitsbewaking tussen de beide regimes van de wet BIG.

De vraag is dan nog wat er moet gebeuren indien niet alle beroepsbeoefenaren bij beroepsgroepen zijn aangesloten en sommige beroepsbeoefenaren op individuele basis hun beroep uitoefenen. Duidelijk zal zijn dat de overheid hier een bijzondere verantwoordelijkheid heeft, mede in het licht van haar taak professioneel handelen, dat de gezondheid kan schaden, te voorkomen/verbieden/straffen. Zie hiervoor de uitwerking van de minimum-eisen.

4.1.2 Kwaliteitsbewaking

Ook de wettelijke kwaliteitsbewaking kent nu een tweetal regimes; een zware regeling voor de artikel 3-beroepen en een lichte regeling voor de overige, al dan niet krachtens artikel 34 geregeld. Op het terrein van de geneeskunde geeft dit aanzienlijke verschillen tussen artsen en therapeuten.

De controle op kwaliteit van artsen gebeurt door zorgverzekeraars, medische inspectie, medische tuchtcolleges en beroepsverenigingen. De inbreng van patiëntenverenigingen begint geleidelijk vorm te krijgen in het klachtrecht.

De beroepsverenigingen hanteren meestal een eigen gedragscode en kunnen voor geschillen tussen leden onderling geschillencommissies in het leven roepen.

Voor therapeuten zijn de controle- en sanctiemogelijkheden nauwelijks wettelijk geregeld. Het enige houvast op therapeuten biedt de wet BIG in artikel 96. Ingrijpen wordt hierdoor mogelijk wanneer een handeling ‘aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt’. Over de hanteerbaarheid van dit artikel wordt van juridische zijde getwijfeld.

De belangrijkste verschillen tussen de controlemogelijkheden op artsen en op therapeuten die niet-conventionele methoden toepassen zijn:

De wettelijke regeling zou dusdanig moeten zijn dat alle groepen van beroepsbeoefenaren op gelijke wijze worden behandeld. Er zijn echter nog duidelijke verschillen, enerzijds tussen conventionele en niet-conventionele beroepsbeoefenaren en anderzijds tussen artikel 3 beroepen, artikel 34 beroepen en beroepen die niet wettelijk geregeld zijn.

4.2 Uitwerking minimum-eisen

Optimale of maximale effectiviteit/kwaliteit/doelmatigheid kan de overheid slechts bevorderen, zij kan deze niet gebieden; een minimum moet zij echter wel gebieden. Beroepsbeoefenaren die aan dat minimum niet voldoen, dient de overheid te weren. Onder onvoldoende moet dan worden verstaan: een professioneel handelen, dat de zorggebruiker en zijn gezondheid schaadt of kan schaden. Hiertoe moet bijvoorbeeld ook worden gerekend het niet beoordelen of niet kunnen beoordelen van de gezondheidstoestand van de zorggebruiker, terwijl de zorggebruiker in de veronderstelling verkeert dat de zorgverlener daartoe wel in staat is en de zorgverlener niet geprobeerd heeft die mening te wijzigen. Een dergelijke regeling kan dan het beste worden ondergebracht in het Wetboek van Strafrecht. Hoofdstuk IV van de wet BIG over de voorbehouden handelingen kan dan tegelijkertijd komen te vervallen.

Duidelijk zal zijn dat een dergelijke bepaling, waarbij het niet voldoen aan minimale eisen van professioneel handelen strafbaar wordt gesteld, met name relevant is voor de niet bij een beroepsgroep aangesloten en op individuele basis werkzame beroepsbeoefenaar. De wel bij een beroepsgroep aangesloten beroepsbeoefenaar zal immers ten opzichte van de strafrechter kunnen aantonen, dat hij zich aan meer dan minimale eisen van veiligheid, effectiviteit, kwaliteit en doelmatigheid houdt.

4.2.1 Opleiding

Opleiding heeft tot doel de geschikte persoon op te leiden om, op grond van een juiste indicatiestelling, met de nodige deskundigheid, zorgvuldigheid en veiligheid zijn beroep uit te kunnen oefenen. Het ligt daarom voor de hand ieder kwaliteitsbeleid te laten beginnen bij de opleidingen.

Enkele veelvuldig toegepaste niet-conventionele benaderingen - met name homeopathie en acupunctuur - begeven zich op het volledige terrein van de geneeskunde, namelijk verrichtingen bedoeld om te genezen, om de patiënt voor het ontstaan van ziekte te behoeden en om zijn gezondheidstoestand te beoordelen. Vrijwel alle somatische en ook psychiatrische aandoeningen worden met deze methoden behandeld, maar bovendien gaat het meestal om chronische patiënten. Het risico op levensbedreigende ontwikkelingen of complicaties is bij deze patiënten zeker aanwezig. De NRV geeft, in een overzicht van de mogelijke opleidingsnivo’s, aan dat de opleiding tot het zelfstandig uitoefenen van dergelijke beroepen op universitair nivo moet plaatsvindenNRV90 . In de aanbevelingen van dit ‘Advies beroepsuitoefening en opleidingen alternatieve geneeswijzen’ (aanbeveling 15) legt zij zich echter neer bij het feit dat hier in de bestaande praktijk ook op HBO-nivo wordt opgeleid. Deze concessie aan kwaliteit voor therapeuten is vanuit onze visie niet terecht. Het argument van de bestaande praktijk rechtvaardigt geen aanzienlijke kwaliteitsverschillen. Ook binnen de beroepsgroepen van de therapeuten groeit het besef dat het universitair nivo gewenst is voor een aantal niet-conventionele benaderingen.

De overheid dient de discussie over het opleidingsnivo te bevorderen en te bewaken. Er mogen geen kwalitatieve verschillen ontstaan tussen opleidingen van (conventionele en niet-conventionele) beroepsbeoefenaren met vergelijkbare taakstelling en verantwoordelijkheden. De indeling in het NRV-advies ‘Advies beroepsuitoefening en opleidingen alternatieve geneeswijzen’ m.b.t. opleidingen dient nader te worden uitgewerkt. Dit is een taak voor de overheid in samenwerking met de conventionele en niet-conventionele beroepsgroepen. Uitgangspunt hierbij dient te zijn dat de beroepsbeoefenaar een degelijke kennis heeft van iedere aandoening die hij behandelt. Wanneer hij zelfstandig werkt dient hij de aangeboden aandoeningen zelf te kunnen diagnostiseren en de aard, ernst en prognose in te kunnen schatten. Indien een methode niet zelfstandig wordt toegepast dient de verwijzing en follow-up op een verantwoorde manier plaats te vinden.

De opleidingen in de niet-conventionele geneeskunde zijn nu volledig aan het oog van de wetgever onttrokken. Veel opleidingen in niet-conventionele geneeskunde zijn in particuliere handen en voor hun voortbestaan afhankelijk van leerlingenaantallen. Hierdoor kan een instroom ontstaan van leerlingen die niet zouden worden toegelaten tot een vergelijkbare conventionele opleiding. De conventionele opleidingen worden gecontroleerd krachtens de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW). Het ligt voor de hand om ook de niet-conventionele opleidingen onder de invloedssfeer van de WHW te brengen. De controle op opleidingen is een effectief instrument voor kwaliteitsbewaking.

4.3 Communicatie

Een pluriforme gezondheidszorg vraagt om communicatie, uiteraard tussen zorggebruiker en zorgverlener, maar ook tussen de verschillende beroepsbeoefenaren, zeker wanneer zij zich met dezelfde patiënt bezighouden. Dit is de basis voor kwaliteitsaspecten als veiligheid, informatiebereidheid, coöperatie, continuïteit, bereikbaarheid, integrale zorg en het voorkómen van overbodige zorg.

De communicatie tussen conventionele en niet-conventionele geneeskunde, zelfs wanneer beide door artsen beoefend worden, moet ronduit slecht genoemd worden. Dit berust zowel op attitude en acceptatie als op een verschillend begrippenkader. Naar aanleiding van het advies van de commissie Muntendam (1981)Mun heeft de regering zich al uitgesproken voor meer aandacht voor niet-conventionele benaderingen in de medische opleidingen. Hiervan is nog niets geëffectueerd, nog altijd wordt slechts incidenteel en facultatief aandacht geschonken aan niet-conventionele visies.

Aan de andere kant bieden de opleidingen voor therapeuten weinig ruimte voor een gedegen kennis van het conventionele begrippenkader. De kennis van conventionele therapieën bij therapeuten is te gering om hierover met de conventionele behandelaren te communiceren.

Ook hier is een meer actief-stimulerend optreden van de overheid op zijn plaats. Structurele knelpunten in de communicatie moeten worden opgelost. In de conventionele opleidingen moet meer aandacht komen voor niet-conventionele methoden en andersom moeten de niet-conventionele opleidingen voldoende conventionele kennis aandragen.

4.4 Transparantie

In de wet BIG wordt de verantwoordelijkheid voor de keuze van een deskundige beroepsbeoefenaar gelegd bij de zorggebruiker. De oude Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst (WUG) gaf een monopoliepositie aan de arts maar dit bleek niet te handhaven. In de praktijk blijkt ook regelmatig dat patiënten menen door een arts behandeld te worden terwijl zij in feite bij een therapeut onder behandeling zijn. Hierin moet dus meer duidelijkheid komen. De wet-BIG gaat uit van zorggebruikers die weten wat titelbescherming betekent.

Artsen (en andere art. 3 beroepsbeoefenaren) zijn voor de bescherming van hun niet-conventionele deskundigheid - d.m.v. een specialistenregister - afhankelijk van de instemming van de conventionele beroepsgroep. De afwijkende paradigma’s leggen hier aanzienlijke emotionele drempels. Zoals eerder opgemerkt is het niet ondenkbaar dat een maatschappelijk gewenste registratie als specialist dan wordt tegengehouden.

Therapeuten kunnen een scala van benamingen gebruiken om hun beroep aan te duiden. De patiënt die niet-conventionele hulp zoekt is aangewezen op informatie uit de directe omgeving, op beroepsverenigingen, patiëntenorganisaties, beroepengidsen, media en verzekeraars. De kwaliteit van deze informatie is zeer wisselend. Dit betekent dat de patiënt, meer dan in de conventionele geneeskunde, is overgeleverd aan marketing. Bij artsen en enkele therapeutenorganisaties bestaan gedragsregels voor marketing, maar juist de dubieuze beroepsbeoefenaren - die niet zijn aangesloten bij een beroepsvereniging - kunnen hier vrijuit hun gang gaan.

Overheid en media identificeren niet-conventionele geneeskunde regelmatig met geneeskunde uitgeoefend door therapeuten. Dit werkt de onduidelijkheid voor de patiënt in de hand. Zo weet 23% van de niet-conventioneel behandelde patiënten niet of de behandelaar arts of therapeut isNIPO95. Het consequent vermelden van de benaming therapeut (bijv. therapeut-acupuncturist) of arts (arts-acupuncturist) kan de duidelijkheid bevorderen.

De nieuwe verantwoordelijkheid die de wet BIG eist van de patiënt gaat uit van een transparant gebruik van titels. De overheid moet toezicht houden op het gebruik van titels, hierover voorlichting geven aan zorggebruikers en marketing in de beroepen in de individuele gezondheidszorg aan banden leggen. De term ‘therapeut’ moet zomogelijk worden ingeruild voor een betere. Het moet voor de zorggebruiker volstrekt duidelijk zijn wanneer een zorgverlener niet opgeleid is om zijn gezondheidstoestand te beoordelen.

Zoals in alle consumentenzaken moet het mogelijk zijn om ook in de geneeskunde het consumentenoordeel in de voorlichting te betrekken. Nu gebeurt dat nog teveel via ingezonden brieven of commerciële periodieken. De waardering voor een bepaalde therapie kan met behulp van enquêtes worden geobjectiveerd. De uitkomsten van klinisch wetenschappelijk onderzoek alleen geven de patiënt, maar ook de behandelende arts, onvoldoende gegevens over de effectiviteit/doelmatigheid van een therapie in de praktijk. Bij de keuze van niet-conventionele methoden gaat de patiënt vooral af op het oordeel van familie of kennissen, een subjectief en casuïstisch oordeel. De hiervoor genoemde enquête biedt een objectievere aanvulling op het klinisch onderzoek.

De overheid moet consumenten(organisaties) gelegenheid geven hun oordeel over geneeskundige methoden te vormen en uit te dragen.

 
    Ga naar   begin


A.L.B. Rutten, arts voor homeopathie -

Aard 10 - Breda - 076 5227340