Standpunt artsen voor niet-conventionele geneeskunde inzake evaluatie wet BIG

In 1997 werd de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg van kracht. Deze wet heeft veel problemen met alternatieve geneeskunde veroorzaakt. Oktober 2002 is een evaluatie van deze wet verschenen (ZonMw). In deze evaluatie staat dat de problemen ontstaan zijn door het niet uitvoeren van de wet. Daar zijn de alternatieve artsen het mee eens, maar de achterliggende oorzaken schatten zij anders in. Hier volgt hun reactie aan de minister voor Volksgezondheid.

1. Inleiding

De voornaamste aanleiding tot de wet BIG was de handhavingproblematiek van de Wet Uitoefening Geneeskunst (WUG) t.a.v. alternatieve geneeskunde (niet-conventionele geneeskunde). Bij de evaluatie van de wet BIG door ZonMw blijkt dat maatschappelijke problemen met niet-conventionele geneeskunde sinds deze wet zijn toegenomen. Regelmatig blijken burgers ernstige schade te ondervinden van behandelingen door niet BIG-gekwalificeerde beroepsbeoefenaren. Voor de aanpak van deze beroepsbeoefenaren wordt in de praktijk de wet BIG genegeerd en uitgeweken naar art. 300 lid4 van het Wetboek van Strafrecht (‘opzettelijke benadeling van de gezondheid’), geen verbetering dus ten opzichte van de situatie onder de WUG.

De transparantie van titels van beroepsbeoefenaren, waarop de systematiek van de wet BIG gebaseerd is, blijkt nog niet te werken. De burger maakt veelvuldig gebruik van niet-conventionele geneeskunde, maar heeft bij zijn keuze van een beroepsbeoefenaar weinig houvast. Nu het niet gekwalificeerd uitoefenen van de geneeskunst niet langer illegaal is wordt de burger geconfronteerd met een sterk uitgedijd onoverzichtelijk aanbod van niet gekwalificeerde beroepsbeoefenaren. De wetsartikelen 14 (gekoppeld aan art. 3) en 34, die de titels regelen, zijn nog niet toegepast op de niet-conventionele geneeskunde.

Het niet toepassen van de mogelijkheden van de wet is terug te voeren op de onwil van de overheid om niet-conventionele geneeskunde te erkennen. Er woedt een paradigmatische wetenschappelijke strijd tussen conventionele en niet-conventionele geneeskunde. Deze strijd lijkt de werkelijke oorzaak van de ontstane problemen en daarom zijn wij genoodzaakt nader op de wetenschappelijke aspecten in te gaan.

De organisaties van niet-conventioneel werkende artsen willen zich in deze standpuntbepaling beperken tot zaken die relevant zijn voor de niet-conventionele geneeskunde. Andere partijen zijn beter toegerust om de overige aspecten van de wet BIG te belichten, maar deze partijen laten enkele ons inziens essentiële aspecten van niet-conventionele geneeskunde onaangeroerd. Wij geven eerst een overzicht van de bestaande situatie en het historisch, maatschappelijk en wetenschappelijk perspectief. Daaruit worden de aandachtspunten afgeleid die bij het vinden van oplossingen relevant zijn. Wij pretenderen niet oplossingen te kunnen bieden, maar menen dat de discussie op een hoger plan getild kan worden.

2. Situatieschets

2.1.Gebruik van niet-conventionele geneeskunde

Van de honderden methoden in de niet-conventionele geneeskunde wordt slechts een vijftal veelvuldig toegepast: homeopathie, acupunctuur, manuele geneeskunde, natuurgeneeskunde en paranormale geneeskunde. Homeopathie en acupunctuur maken samen de helft van de toegepaste niet-conventionele geneeskunde uit. Niet-conventionele geneeskunde wordt wereldwijd zeer veelvuldig toegepast en het gebruik lijkt toe te nemen. Zelfs de uitgebreide berichtgeving over ernstige schade door ongekwalificeerde beroepsuitoefening doet daar niets aan af.

Er is een duidelijke discrepantie tussen de waardering van de bevolking voor niet-conventionele geneeskunde en de afkeer ervan bij de conventionele artsen. Van de Nederlandse bevolking vindt 60% dat deze methoden in het basispakket thuishoren, waar deze mening slechts door 11% van de artsen gedeeld wordt. In de Nederlandse medische opleiding worden de niet-conventionele methoden niet onderwezen, terwijl 66,5% van de Nederlanders dit gewenst acht. Een ander onderzoek geeft aan dat 84% van de consumenten vindt dat de huisarts kennis moet hebben van homeopathie, terwijl 80% van de huisartsen dit niet noodzakelijk acht.

2.2. Vakgebieden

Dit standpunt is opgesteld namens 5 artsenorganisaties voor niet-conventionele geneeskunde. Niet al het gestelde is in even grote mate voor elk vakgebied van toepassing. Het als niet-conventioneel beschouwd worden is de overeenkomst. Op andere gebieden zijn er soms zeer grote verschillen. De relevantie van de overeenkomst voor het onderhavige onderwerp heeft de verenigingen er voor doen kiezen gezamenlijk naar buiten te treden. Tot nu toe maakt de overheid ook nog geen onderscheid tussen de verschillende vakgebieden.

2.3. Overheidsadviezen

Door de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (NRV) is in 1990 advies uitgebracht over ‘beroepsuitoefening en opleiding alternatieve geneeswijzen’. Enkele aanbevelingen uit dit advies zijn in dit verband relevant:

Aanbeveling 2: onderzoek naar een gezamenlijk begrippenkader voor conventionele en niet-conventionele geneeskunde. Hierin zijn nog geen structurele initiatieven genomen.

Aanbeveling 12: erkenning op basis van kwaliteitscriteria.

Aanbeveling 13: opstellen van beroepsprofielen. Hiertoe zijn door het veld initiatieven genomen, maar deze zijn door de overheid nog niet gevalideerd of toegepast.

Aanbeveling 16: zelfstandige beroepsuitoefening op MBO niveau tegengaan. Voor de niet BIG geregistreerde beroepsbeoefenaren is het MBO niveau vrijwel de algemene praktijk.

Voorts heeft de Gezondheidsraad in 1993 een advies uitgebracht over wetenschappelijk onderzoek. Dat is in dit verband relevant omdat de Gezondheidsraad pleit voor erkenning op basis van wetenschappelijk bewijs: "..indien uit herhaald en volgens de door de commissie geformuleerde richtlijnen opgezet en uitgevoerd onderzoek blijkt dat met een behandelwijze positieve resultaten worden bereikt, een dergelijke behandelwijze moet worden erkend.".

We zien dus een belangrijk verschil tussen beide adviezen t.a.v. gronden voor erkenning: de NRV wil erkennen op basis van kwaliteit, de Gezondheidsraad op basis van wetenschappelijk bewijs.

2.4. Kwaliteit

Het lijkt logisch dat een kwaliteitstraject gebaseerd is op een beroepsprofiel. Deze stap is in de niet-conventionele geneeskunde echter overgeslagen. Er zijn door het veld wel enkele beroepsprofielen opgesteld, maar deze zijn niet door deskundigen gevalideerd en er is geen beeld ontstaan welke kwaliteit en welke deskundigheid bij welk beroep hoort. Deze omissie heeft geleid tot een éénvormig kwaliteitsproject (het OKAB-project van het CBO) voor het hele niet-conventionele veld. De heer Van der Vlies (SGP) merkt hierover op: "De SGP-fractie vindt het vreemd dat het stimuleringsbeleid vooral is gericht op de kwaliteitsbevordering van beroepsbeoefenaren die blijkens de memorie van toelichting in de voorzienbare toekomst geen en wellicht nooit een wettelijke status zullen verwerven. De artsen en andere BIG-beroepsbeoefenaren voor wie de overheid zich in bepaalde opzichten garant stelt, profiteren nauwelijks van het stimulerend overheidsbeleid voor alternatieve geneeswijzen".

2.5. Kwalificatie

De deskundigheid van niet-conventionele behandelaren varieert enorm, maar veruit de meeste patiënten kunnen terecht bij BIG-gekwalificeerde behandelaren. Volgens het Nivel is ruim de helft van de niet-conventionele behandelaren geregistreerd volgens art.3 van de wet BIG, hiervan zijn ongeveer duizend arts. Er is weliswaar een groot aantal alternatief geneeskundige methoden dat niet door BIG-gekwalificeerden wordt uitgeoefend, maar het aantal patiënten dat voor deze methoden kiest is veel kleiner dan voor de bekende door BIG-gekwalificeerden uitgeoefende methoden. Het evaluatierapport van ZonMw maakt geen onderscheid tussen de methoden die door grote groepen behandelaars en veel patiënten worden gewenst, en de vele zeer kleine methoden.

De houding van de overheid is niet conform deze situatie. In het evaluatierapport van ZonMw wordt geciteerd (p. 174): "De verantwoordelijke bewindslieden wijzen erop dat het de burger vrij staat te kiezen voor alternatieve behandelmethoden, alleen bij beroep op het ‘conventionele’ circuit mag de patiënt kwaliteitswaarborgen verwachten". In werkelijkheid kan de burger wel degelijk kiezen voor een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar voor zijn niet-conventionele behandeling.

2.6. Specialisme

Er is nog geen specialismenregeling krachtens art. 14 voor niet-conventionele geneeskunde. De meeste van onze vakken hebben ons inziens een breedte en een diepte welke vergelijkbaar is met een driejarige specialismenopleiding. In art. 14 wordt gesproken van de ‘representatieve beroepsorganisatie’ voor het instellen van een specialisme. De organisatie waaraan art. 14 refereert is tot nu toe in de ogen van de minister voor de artsen de KNMG. Deze organisatie behartigt de belangen van de conventionele geneeskunde en is daarmee qualitate qua gekant tegen de niet-conventionele geneeskunde. Maar ook feitelijk zien wij, zoals nu ook weer in de officiële reactie van de KNMG op de wet BIG-evaluatie, bij voorkeur geen, en vaak een afwijzend standpunt. Met art. 14 verschuift het belang dat de wet BIG dient van de burger naar de ‘representatieve’ beroepsorganisatie en de werking van de wet wordt daarmee minder ‘paradigma-neutraal’. Wanneer de KNMG meewerkt aan een specialismenregistratie van de bijzondere deskundigheid van de niet-conventionele artsen zal dat op veel verzet van de leden kunnen stuiten. Art. 8 kan eveneens aanleiding zijn tot een partijdige interpretatie wanneer bijscholing en beroepsuitoefening gedefinieerd moeten worden. Overigens wordt dit verband ook de mogelijkheid genoemd om beroepen nader met AmvB’s op art.3 te regelen. Dit is ook voor de niet-conventionele geneeskunde een optie omdat o.a. de opleidingen nog in ontwikkeling zijn.

Voor de burger is het houvast aan een wettelijk erkende specialistentitel extra noodzakelijk in geval van de niet-conventionele geneeskunde. De verwarring is hier groot omdat hij terecht kan komen bij een volledig gekwalificeerde (een arts met adequate niet-conventionele vervolgopleiding), bij een alleen conventioneel gekwalificeerde, of bij een geheel niet gekwalificeerde.

2.7. Communicatie

De communicatie tussen de overheid en de niet-conventionele geneeskunde is slecht, vooral waar het de artsen betreft. De niet-conventioneel werkende artsen worden niet vertegenwoordigd door de KNMG, maar de overheid onderkent dit niet. Bij de overheid is weinig niet-conventionele deskundigheid aanwezig, zeker wanneer dit gerelateerd wordt aan de daar aanwezige deskundigheid op conventioneel gebied.

Ook de communicatie tussen de conventionele en niet-conventionele geneeskunde is slecht. De arts die zich vanuit de conventionele geneeskunde verder specialiseert in niet-conventionele geneeskunde bemerkt dat zijn begrippenkader tekort schiet en dat hij sommige begrippen uit de niet-conventionele geneeskunde niet kan vertalen in conventionele begrippen. De conventionele geneeskunde kan dit slecht accepteren. Daarnaast blijken nieuwe ontwikkelingen in de conventionele geneeskunde hier openingen te kunnen bieden. In de conventionele geneeskunde komt meer aandacht voor onderzoek naar epidemiologische kenmerken (zoals sensitiviteit en likelihoodratio) van klinische symptomen. Dergelijk onderzoek is ook in de niet-conventionele geneeskunde mogelijk. De aanbeveling van de NRV voor de ontwikkeling van een gezamenlijk begrippenkader is daarom zeker zinvol.

2.8. Wetenschap

Niet-conventionele geneeskunde wordt veelvuldig gekwalificeerd als onwetenschappelijk. Dit is ongenuanceerd en raakt achterhaald. Het is ongenuanceerd om 3 redenen:

  1. Ook de conventionele geneeskunde is grotendeels onbewezen.
  2. Gebrek aan infrastructuur en financiën maakt wetenschap onmogelijk.
  3. Wetenschap wordt in deze discussie vaak éénzijdig gedefinieerd, waarbij plausibiliteit overdreven gewicht krijgt.

Voor enkele conventionele methoden, zoals fysiotherapie en psychotherapie, is weinig bewijs beschikbaar. Toch is een gezondheidszorg zonder deze methoden ondenkbaar. De schattingen van de hoeveelheid bewezen behandelingen binnen het hele conventionele medische veld lopen uiteen van 4 tot 20%. Met het ontstaan van een infrastructuur blijkt onderzoek in niet-conventionele geneeskunde explosief toe te nemen. Het instellen van het National Centre for Complementary Medicine and Alternative Medicine’ (NCCAM) door de Amerikaanse overheid heeft geleid tot ‘an astonishing success in the area of research with a relatively small amount of money’.

Wetenschap is in de conventionele geneeskunde lange tijd geïdentificeerd met dubbelblind onderzoek. Naast het dubbelblind onderzoek komen nu andere onderzoeksmodellen naar voren, bijvoorbeeld de bayesiaanse benadering van waarheidsvinding. Dit is een wiskundig model voor de verschuiving van waarschijnlijkheden door opeenvolgende waarnemingen. Dit model laat ook zien hoe artsen door herhaalde waarnemingen meer geloof kunnen gaan hechten in de werkzaamheid van niet-conventionele geneeskunde.

Dat de kwalificatie ‘onwetenschappelijk’ achterhaald raakt laat het onderzoek naar homeopathie zien. Sinds 1991 blijkt dat de homeopathie het door de Gezondheidsraad verlangde bewijs geleverd heeft.. In een meta-analyse van wetenschappelijk onderzoek naar homeopathie stelt Kleijnen: "Een conventionele methode zou met dergelijk bewijs erkend worden". Ook de epidemiologen Vandenbroucke, Rosendaal en Bouter erkennen dat het dubbelblind bewijs voor homeopathie niet onderdoet voor conventioneel bewijs. Toch willen zelfs zij homeopathie niet erkennen en baseren dit op het plausibiliteitsprobleem, waarbij de zogeheten ‘reductio ad absurdum’ wordt toegepast: men stelt de homeopathische bereiding gelijk met uitsluitend verdunnen terwijl in de ogen van de homeopathische artsen juist het schudproces verantwoordelijk moet zijn voor het effect.

2.9. Plausibiliteit

In 1993 komt staatssecretaris van volksgezondheid Simons voor het eerst met ‘plausibele werkzaamheid’ als beleidsindicatieve factor, zonder dit overigens te verduidelijken. In hetzelfde jaar verschijnt het advies van de Gezondheidsraad ‘Alternatieve Behandelwijzen en Wetenschappelijk Onderzoek’ waar het probleem plausibiliteit wel wordt aangeroerd, maar niet geaccepteerd als grond om een methode niet te erkennen. Sinds Galilei heeft plausibiliteit geen dominante status meer en ook in de geneeskunde zijn verschillende dwalingen ontstaan vanuit plausibele redeneringen, zoals het preventief verwijderen van organen als tonsillen en appendix. Een recent voorbeeld zijn de antidepressiva die gebaseerd zijn op de invloed op de serotonine huishouding. Hier is sprake van plausibiliteit en dubbelblind bewijs van effectiviteit, maar Australisch onderzoek laat een toename van het aantal suïcides onder invloed van deze middelen zien.

Plausibiliteit is geassocieerd met deductieve wetenschap. De geschiedenis van de wetenschap laat een voortdurende discussie zien tussen deductieve (redeneren vanuit theorie) inzichten en inductieve (redeneren vanuit waarneming). Het zijn echter vooral de theorieën die paradigmatische meningsverschillen veroorzaken, hetgeen onderlinge discussies ernstig bemoeilijkt en revoluties noodzakelijk maakt.

2.10. Paradigma

De discussie rond niet-conventionele geneeskunde wordt beheerst door emotie. Emotie van patiënten die zich niet begrepen voelen, van niet-conventionele werkende artsen die dingen ervaren die moeilijk uit te leggen zijn en van conventioneel werkende artsen die de werking van niet-conventionele geneeskunde onwaarschijnlijk achten. Deze emotie leidt ook tot misverstanden en depreciatie. Zo menen de tegenstanders van homeopathie dat homeopathische artsen van verdunde conventionele medicijnen dezelfde werking verwachten als met correcte dosering.

Artsen die de overgang naar de niet-conventionele geneeskunde gemaakt hebben ervaren deze als een paradigmaschok. Zonder kennis van en ervaring met deze methoden blijft een kloof bestaan en tot nu toe willen de tegenstanders deze niet over. Er zijn verschillende aanwijzingen dat het hier om een paradigmageschil gaat en dat bemoeilijkt het vinden van oplossingen, temeer wanneer de overheid hier geen bemiddelende rol in speelt. De niet-conventionele geneeskunde is niet vertegenwoordigd binnen de adviserende overheidsorganen.

3. Analyse

3.1. Transparantie

Van de transparantie is nog niets terechtgekomen terwijl dit voor de niet-conventionele geneeskunde de kern van wet is; "iedere Nederlander mag iedere andere Nederlander trachten te genezen" en de patiënt moet zijn eigen keuzen maken op basis van titels van beroepsbeoefenaren. Uit de evaluatie van ZonMw blijkt dat er bij BIG-gekwalificeerde beroepsbeoefenaren geen problemen bestaan, maar de overheid lijkt met de BIG-gekwalificeerden die niet-conventionele geneeskunde beoefenen eerder in haar maag te zitten dan dat ze deze groep koestert.

3.2. Overheid

Er is nog weinig animo bij de IGZ om de niet-gekwalificeerde beroepsbeoefenaren te corrigeren. De IGZ heeft de bestuursrechtelijke bevoegdheid om een bevel te geven wanneer art. 3 en art. 34 beroepsbeoefenaren niet voldoen aan het kwaliteitsartikel (40). Dit heeft geen betrekking op de niet-gekwalificeerden. Art. 96 van de wet BIG geeft aanleiding tot veel discussie en twijfel. Een feit is dat zelfs voor de aanpak van ernstige problemen met niet-gekwalificeerden wordt uitgeweken naar het Wetboek van Strafrecht.

Tot nu toe is geen enkele vorm van niet-conventionele geneeskunde geregeld via art. 34 (voor de tot dusver niet-gekwalificeerden) of via art. 14 (voor de gekwalificeerden). Bovendien zijn de opleidingen in de niet-conventionele geneeskunde niet wettelijk geregeld. Hierdoor ontbreekt de mogelijkheid om structurele kennistekorten die leiden tot slechte diagnostiek aan te pakken.

In het stimuleringsbeleid van de overheid is nauwelijks aandacht voor de medische kennis als kwaliteitskenmerk. De Consumentenbond stelt dat het niet uitmaakt of de behandelaar al dan niet arts is. Bij nader doorvragen is ons gebleken dat de bond dit baseert op een eigen enquête waarbij voor alle alternatieve behandelmethoden tegelijk (dus van gebedsgenezing tot alternatieve psychotherapie tot voetzoolbehandeling) gevraagd werd of het uitmaakte of dit een arts was of niet. Het antwoord is dan voorspelbaar. Overheid en verzekeraars lijken deze visie over te nemen. Wij vinden dit een gevaarlijke ontwikkeling. De niet-conventioneel werkende arts ziet een breed scala van gezondheidsproblemen. Hij diagnosticeert deze problemen op de conventionele manier, maar voegt daar een niet-conventionele diagnose aan toe. Het grootste probleem van het medisch handelen is het kennen van de grenzen ervan. De hoofdpijn kan op een hersentumor berusten, de benauwdheid op een klaplong, de buikpijn op een appendicitis, de angst op een psychose, enzovoort. Al deze klachten vereisen behandeling door een medisch specialist op dat terrein om ernstige schade te voorkomen. De enige opleiding die in deze voldoende deskundigheid kan bieden is de artsopleiding. Er is geen rechtvaardiging om van het algemeen geldende principe dat de behandelaar deskundig moet zijn op zijn gebied af te wijken. In de discussie over taakherschikking wijst de KNMG op de noodzaak om die kwaliteitseisen te blijven stellen die bij de taken horen.

3.3. Het probleem: kwalificatie

In de periode van de WUG werd niet-conventionele geneeskunde vooral als een handhavingsprobleem gezien. De overheid identificeerde daarom niet-gekwalificeerde beroepsuitoefening met niet-conventionele geneeskunde. Ook in de debatten in de Tweede Kamer lijkt het alsof er geen gekwalificeerde niet-conventionele beroepsbeoefenaren bestaan. Dit gebruik is blijven bestaan na de inwerkingtreding van de wet BIG. Er wordt naar buiten veel nadruk gelegd op de negatieve aspecten van de niet-conventionele geneeskunde terwijl men in feite de negatieve aspecten van de niet-gekwalificeerde beroepsbeoefening bedoelt. De wet BIG richt zich juist op een positieve benadering door deskundige beroepsuitoefening te bekrachtigen met beschermde titels.

Ook waar de wet zich richt op aanpak van fouten is kwalificatie van belang. Fouten ontstaan vooral door het missen van diagnosen en niet of te laat doorverwijzen (ZonMw, p. 125). Dit individueel aanpakken met strafrecht is dweilen met de kraan open en bewerkelijk. Structurele regeling van opleidingen en persoonlijke aanpak met tuchtrecht is effectiever. Het lijkt ons correcter en productiever om de niet-gekwalificeerde geneeskunde als probleem te benoemen i.p.v. niet-conventionele geneeskunde. Daarmee wordt ook beter aangesloten bij de ‘niet bekwaam is niet bevoegd’ systematiek van de wet BIG.

3.4. Titels

De onduidelijkheid t.a.v. kwalificaties van beroepsbeoefenaren in het niet-conventionele veld is groot. Weinig Nederlanders weten bijvoorbeeld dat een ‘klassiek homeopaat’ geen arts is. Voor velen zijn termen als ‘acupuncturist’ en ‘homeopaat’ vergelijkbaar met ‘internist’ of ‘chirurg’. Verzekeraars hebben artsen en niet-artsen op één lijst staan. De praktijk laat zien dat niet gekwalificeerden hun opleiding aanprijzen als ‘vijfjarig op Hbo-niveau’ terwijl het om een deeltijdopleiding van 10 dagen per jaar gaat en het opleidingsniveau waarschijnlijk lager ligt. Het probleem van onvoldoende voorlichting is slechts terloops genoemd in de evaluatie van de wet, terwijl het voor veel burgers de oorzaak is dat zij bij niet-gekwalificeerden terechtkomen. De overheid en de verzekeraars lijken weinig waarde te hechten aan niet-conventionele geneeskunde als medisch specialisme. Voor de patiënt ligt dit anders: wanneer zijn behandelaar arts is, maar geen adequate vervolgopleiding in niet-conventionele geneeskunde heeft, kan hij zich weliswaar veilig voelen maar de behandeling heeft niet de meerwaarde waar hij naar zoekt.

Of art. 34 geschikt is om de beroepen in niet-conventionele geneeskunde te regelen wordt niet duidelijk uit het rapport van ZonMw. De variatie in werkterrein is groot. Methoden als homeopathie en acupunctuur omvatten bijna hetzelfde werkterrein als dat van de huisarts en hebben als doel een alternatieve oplossing voor met name chronische gezondheidsklachten te bieden. Andere methoden, zoals yoga, hebben slechts een additief doel. De variatie in risico is navenant. Bij een groter risico is de wenselijkheid van richtsnoeren (niet wettelijk vastgelegde voorschriften van beroepsbeoefenaren onderling) groter. De effectiviteit van dergelijke richtsnoeren is alleen voor art. 3 beroepen bekend. De huidige art. 34 beroepen werken vooral op verwijzing. Dat betekent enerzijds dat er kennis nodig is om te kunnen verwijzen en anderzijds dat er wederzijds bereidheid tot overleg moet zijn. De praktijk laat zien dat dit zelden het geval is. Alleen de antroposofie heeft hier een goed functionerende structuur voor.

3.5. Erkenning

De overheid schuift het erkenningprobleem voor zich uit. Tien jaar na de adviezen dienaangaande heeft nog geen evaluatie plaatsgevonden van de stand van zaken. Ook is nog niet duidelijk waarop erkenning moet berusten; op de criteria van de NRV (kwaliteit) of op de criteria van de Gezondheidsraad (wetenschappelijk bewijs). Nu lijdt de patiënt schade omdat de wet BIG geen bescherming biedt bij niet erkende vormen van geneeskunde. Het doel van de wet wordt daarmee verwaarloosd. Heeft de conventionele geneeskunde niet teveel invloed op erkenning en de patiënt te weinig? Het lijkt daarom niet logisch dat de burger geen inbreng heeft bij het totstandkomen van specialismen krachtens art. 14. Juist bij niet-conventionele geneeskunde zou de specialismenregeling de transparantie verhogen.

Wanneer transparantie de burger moet dienen verdient de burger meer inbreng dan nu het geval is bij het instellen van een medisch specialisme. Het lijkt ons daarom beter dat de minister beslist over het instellen van een specialisme krachtens art. 14, na raadpleging van alle betrokken partijen, dus ook de burger en de artsen voor niet-conventionele geneeskunde bij het instellen van een niet-conventioneel specialisme.

Wanneer de overheid zou stellen dat niet-conventionele geneeskunde volgens conventionele paradigma’s plausibel moet zijn is erkenning bij voorbaat uitgesloten. Het is niet te verwachten dat de behoefte aan niet-conventionele geneeskunde zal verdwijnen of op afzienbare termijn zal verminderen. Het is de taak van de overheid om in de eerste plaats de veiligheid van de gezondheidszorg te garanderen. Niet gekwalificeerde beroepsuitoefening is daarvoor een grotere bedreiging dan niet bewezen behandelingen. De niet bewezen behandelingen in de conventionele geneeskunde veroorzaken geen schade omdat de behandelaar gekwalificeerd is.

4. Conclusie

Het falen van de wet BIG t.a.v. niet conventionele geneeskunde komt vooral door het niet uitvoeren van de wet. De onduidelijkheid is toegenomen door het vrijgeven van de geneeskunst en niet gebruiken van de wettelijke instrumenten voor transparantie. De wet is paradigmaneutraal, maar is nog niet als zodanig toegepast. Ook de adviezen die de overheid indertijd heeft ingewonnen bij de NRV en de Gezondheidsraad zijn maar zeer beperkt uitgevoerd. De problemen met niet-conventionele geneeskunde ontstaan door niet-gekwalificeerde beroepsuitoefening.

De transparantie waarop de wet BIG berust is vooral voor de niet-conventionele geneeskunde noodzakelijk, maar juist daar wordt deze niet gerealiseerd. De overheid speelt daarin een negatieve rol door niet-gekwalificeerde beroepsuitoefening te identificeren met niet-conventionele geneeskunde, terwijl zij juist zou moeten wijzen op de mogelijkheid om door gekwalificeerde artsen behandeld te worden. Een duidelijke beroepstitel voor niet-conventionele artsen en het gebruik hiervan door overheid en verzekeraars is vanuit het oogpunt van de consument zeer gewenst, ook vanwege het kwaliteitsbevorderend aspect. Ons inziens moet art. 14 van de wet BIG aangepast worden aan de behoefte van de burger aan meer transparantie in de niet-conventionele geneeskunde, alle betrokken partijen moeten inbreng hebben bij de instelling van een specialisme.

De veiligheid en kwaliteit van een methode moeten passen bij het beroepsprofiel. Deze beroepsprofielen zijn in ontwikkeling en niet gevalideerd. De kwaliteit van de niet-conventionele geneeskunde wordt door de overheid nauwelijks en zeker niet naar (op beroepsprofiel bepaalde) behoefte gestimuleerd.

De argumenten om niet-conventionele geneeskunde op wetenschappelijke gronden niet te erkennen zijn ongenuanceerd, gedeeltelijk achterhaald en paradigmabepaald. Het onthouden van deze erkenning leidt tot schade bij patiënten. De angst dat een ‘onwetenschappelijke’ geneeskunde de burger zou schaden is niet terecht blijkens het feit dat de gekwalificeerde beroepsuitoefening geen bijzondere problemen oplevert, noch bij onbewezen conventionele geneeskunde noch bij niet-conventionele geneeskunde.

5. Aanbevelingen

· De wet moet duidelijker worden m.b.t. het punt ‘representatieve organisatie’. Nu lijkt het alsof de verenigingen voor niet-BIG-geregistreerden-alternatief-behandelaars de representatieve organisatie gaan vormen voor de niet-conventionele geneeskunde met voorbijgaan aan de artsenverenigingen. Er is de afgelopen 15 jaar, en zeker ook nu weer in het standpunt van de KNMG in reactie op het evaluatierapport, niets gebleken van dat de KNMG de niet-conventioneel werkende artsen zou vertegenwoordigen. (zie 2.6)

· Wij zijn van mening dat de artsen voor niet-conventionele geneeskunde hun gehele beroep geregeld dienen te krijgen binnen artikel 3. De overheid dient ons inziens eventueel duidelijk te maken waarom zij daarvan zou willen afwijken, i.c. welk medisch-wetenschappelijk belang en welk patiëntenbelang dit zou dienen. (zie 3.4)

· Voor medische vakken in maatschappelijke ontwikkeling zoals enkele vormen van niet-conventionele geneeskunde zou er een wettelijke weg van basisarts onder supervisie, via zelfstandig arts ex art 3-AMvB naar specialisatie ex artikel 14 geschapen dienen te worden. (zie 2.6)

· De overheid zou een duidelijk standpunt dienen in te nemen ten aanzien van de positie van de BIG-gekwalificeerde die zich uitsluitend toelegt op niet-conventionele geneeskunde. (zie 2.5)

· De overheid dient duidelijk te maken hoe en door welke partijen (de verenigingen van de betreffende niet-conventioneel werkende geneeskundigen, KNMG, VWS, extern advies?) bepaald wordt welke aanvullende kennis boven basisartsniveau noodzakelijk is om het betreffende niet-conventionele vak zelfstandig te kunnen uitoefenen. Dat geldt overigens eventueel voor elk vak dat bij AMvB geregeld zal gaan worden. (zie 2.6)

· Wat betreft de niet-artsen in artikel 3 kunnen de zelfstandige bevoegdheden eventueel afgeleid worden van de vereiste kennis als basisarts, basisarts plus AMvB, en voor een eventueel toekomstig specialisme. Het lijkt ons inziens niet mogelijk alle soorten artikel 3 geregistreerden als één groep te behandelen.

· Wat betreft de niet-artikel 3 geregistreerde alternatieve behandelaars dienen regelingen gebaseerd te zijn op een gevalideerd beroepsprofiel. (zie 2.4)

· Het is voor alle beroepsgroepen, dus ook de niet-conventionele, noodzakelijk om geïnformeerd te worden over de consequenties van wetten op Europees niveau.

· Regelgeving dient getoetst te worden op onuitvoerbaarheid wegens maatschappelijke beperkingen, waardoor het uitoefenen van de niet-conventionele geneeskunde toch onmogelijk gemaakt zou kunnen worden. Zie bijvoorbeeld de ontstane problemen bij de uitvoering van de registratie van en het vervolgingsbeleid bij de homeopathische middelen, waardoor nu feitelijk veel middelen niet meer beschikbaar zijn. De artsenverenigingen van de betreffende vakgebieden dienen daarbij geconsulteerd te worden.